Expertises Sectors

Share

08.01.2018

Wetswijzigingen vakgroep Bestuurs- en Omgevingsrecht januari 2018

De start van het nieuwe jaar gaat gepaard met enkele belangrijke wetswijzigingen. Zo is onder meer het Omgevingsvergunningsdecreet nu helemaal in werking getreden, en werden er enkele belangrijke wijzigingen doorgevoerd met de zgn. Codextrein. In dit nieuwsbericht lichten we de belangrijkste wijzigingen en nieuwigheden toe:

a) Aangaande de omgevingsvergunning

  • Gehele inwerkingtreding Omgevingsvergunningsdecreet: De stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning en milieuvergunning worden geïntegreerd in één vergunning, de omgevingsvergunning. Later worden ook de socio-economische vergunning en de vergunning voor vegetatiewijzigingen nog geïntegreerd. De procedure tot bekomen van een omgevingsvergunning werd integraal hervormd.     

  • Digitaal indienen van een aanvraag via het omgevingsloket: De aanvraag voor de omgevingsvergunning dient, op enkele uitzonderingen na, digitaal te worden ingediend via het omgevingsloket (www.omgevingsloket.be).  

  • Beperking van de toegang tot beroep tegen vergunningsbeslissingen: Indien de aanvraag conform de gewone procedure wordt behandeld, kan het betrokken publiek alleen beroep instellen indien zij tijdens het openbaar onderzoek een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar hebben ingediend. Er zijn uitzonderingen voorzien bv. indien aangetoond wordt dat de beroepsindiener in de onmogelijkheid was om een bezwaar in te dienen. Tegen deze beperking van de beroepsmogelijkheid werd intussen namens enkele milieuverenigingen beroep ingesteld bij het Grondwettelijk Hof.

  • Aanpassing vervaltermijn vergunning: Een omgevingsvergunning vervalt indien (a) men niet binnen de twee jaar na afgifte ervan is gestart met de aanvang van de werken, of (b) niet winddicht is binnen de vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning (ipv drie jaar na aanvang van de werken). De vervaltermijn voor een vergunning kan verlengd worden met 2 jaar als men kan aantonen dat de niet-verwezenlijking het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend.

  • As-Built attest: De architect kan op vraag van opdrachtgever een as-built attest opstellen. Van dit attest moet een afschrift bezorgd worden aan het college van burgemeester en schepenen. Het attest bevestigt de uitvoering van de vergunde stedenbouwkundige handelingen, al dan niet gecombineerd met werken die (a) niet vergunningsplichtig zijn, of (b) vrijgesteld zijn van vergunning, of (c) meldingsplichtig zijn voor zover de handelingen beperkt blijven tot handelingen binnen in gebouwen. Bovendien wordt er een technische tolerantiemarge, het zgn. ‘metsershaar’, ingevoerd. Deze handelingen worden niet beschouwd als strijdig met de verleende omgevingsvergunning. 

  • Vereenvoudiging van de herzienings- en opheffingsprocedure van verkavelingen op initiatief van de gemeente en op verzoek van de eigenaar(s): Er is bij de aanvraag geen aparte kennisgeving meer vereist maar gemeente zal actieve rol vervullen in procedure.

 

b) Aangaande de beoordeling van een omgevingsvergunningsaanvraag

  • Beperkter toepassingsgebied voor verkavelingsvergunningen: Er is geen verkavelingsvergunning meer vereist indien er na splitsing slechts één onbebouwde kavel overblijft. Een verkavelingsvergunning is enkel nog vereist als er twee (of meer) onbebouwde kavels ontstaan. Voor het afsplitsen van een stuk grond van een villaperceel om nadien te verkopen als bouwgrond is zodoende geen verkavelingsvergunning meer vereist.

  • Specifieke bepaling aangaande isolatiewerken: Het aanbrengen van gevelisolatie aan de buitenzijde van een woning tot max. 26 cm wordt beschouwd als aanpassingswerken binnen bestaande bouwvolume. Deze bepaling kan o.m. van belang zijn bij zonevreemde woningen.

  • Verkavelingsvoorschriften ouder dan 15 jaar geen verplichte weigeringsgrond meer voor vergunningsaanvragen: Een aanvraag moet niet meer geweigerd worden indien de aanvraag in strijd is met verkavelingsvoorschriften van verkavelingen ouder dan 15 jaar behalve voor wat betreft de verkavelingsvoorschriften die betrekking hebben op de wegenis of het openbaar groen.

  • Afwijkingsmogelijkheden voor handelingen sorterend onder voorschriften van oude BPA’s: De vergunning verlenende overheid mag afwijken van de voorschriften van BPA’s die ouder zijn dan vijftien jaar. Er zijn wel enkele belangrijke voorwaarden verbonden aan deze afwijkingsmogelijkheid. Zo kan er niet in elke bestemmingszone gebruik worden gemaakt van deze afwijkingsbepaling (bv. wel in woongebied, maar niet in woonparkgebied).

  • Invoering ‘verhoging ruimtelijk rendement’ als toetsingscriterium van de goede ruimtelijke ordening: De overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld in functie van de gekende aandachtspunten, de beleidsmatig gewenste ontwikkelingen maar ook in functie van de bijdrage van het aangevraagde aan de verhoging van het ruimtelijk rendement. De rendementsverhoging dient te gebeuren met respect voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving en dient daarenboven verantwoord te zijn in de betrokken omgeving.

  • Tweede of bijkomende vrijstaande bedrijfswoning niet meer mogelijk: Vroeger kon getracht worden om een aparte tweede bedrijfswoning vergund te krijgen als het bedrijf op volwaardige wijze twee gezinnen kon voorzien. Een tweede bedrijfswoning zal enkel nog maar mogelijk zijn als dit inpandig is (in het bedrijf).  

  • Uitbreiding mogelijkheden voor werken aan beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurhistorisch landschap op archeologische site: Er kan in afwijking van de voorschriften ontwikkeld worden na advies van het Agentschap. Dit advies moet niet meer gunstig zijn. Bij negatief advies is het afleveren van een vergunning dus mogelijk maar uiteraard zal er voor deze vergunning een verstrengde motiveringsverplichting zijn.  

  • Stallen voor weidedieren niet meer gekoppeld aan beroepslandbouw: Voor gebieden die tot de ‘landbouw’ behoren, in zoverre er geen bestaande stallen zijn, kan er (terug) een stal worden opgericht, niet gekoppeld aan beroepslandbouwbedrijf. De mogelijkheid is beperkt tot de oprichting van één stal, binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte woning, met een maximale kroonlijst van 3,5 meter en een maximale vloeroppervlakte van 120m² per hectare graasland met een absoluut maximum van 200m². Een stalling is mogelijk in landbouwgebied, met uitzondering van ruimtelijk kwetsbaar gebied, bouwvrij agrarisch gebied of agrarisch gebied met overdruk natuurgebied. Er wordt eveneens een bijzondere vervalregeling voorzien indien er gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren geen weidedieren worden gehouden op het perceel waarop de vergunning betrekking heeft.

  • Historisch gegroeide tuincentra: De problematiek van de zonevreemde tuincentra (vaak gelegen in agrarisch gebied) wordt aangepakt door deze onder bijzondere voorwaarden toe te laten tot het planologisch attest. 


c) Aangaande ruimtelijke planning

  • Invoering ruimtelijke beleidsplannen: De ruimtelijke beleidsplannen zijn de opvolger van de ruimtelijke structuurplannen. Beleidsplannen kunnen ook voor een thema of een gebiedsdeel worden opgemaakt.

  • 50m-regel bij planschade: De decreetgever grijpt in nadat het Grondwettelijk Hof zich had uitgesproken over de beperking van planschadevergoeding door de zgn. 50m-regel (zie o.m. GwH nr. 140/2016, 10 november 2016). Enkel voor gebieden die ressorteren onder de gebiedsbestemming ‘woongebied’ zal de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking komen voor planschade. In alle andere bestemmingsgebieden geldt deze beperking zodus niet.

  • Invoering van “watergevoelige openruimtegebied” met het oog op de bescherming van de belangen van het watersysteem: Sinds 1 januari 2018 is er een decretale verankering van de zgn. ‘Signaalgebieden’. De Vlaamse regering zal een Waterkaart invoeren (cfr. de Boskaart) met een aanduiding van de gebieden waar een conflict bestaat tussen de verdere realisatie van een (harde) bestemming (bv. woongebied of industriegebied) en de belangen van het watersysteem. Deze kaart zal onderworpen worden aan een openbaar onderzoek. De aanduiding op de waterkaart heeft van rechtswege tot gevolg dat o.m. onbebouwde delen van een verkavelingsvergunning onmiddellijk vervallen. Ook worden de bebouwingsmogelijkheden ernstig beperkt. Er wordt in een afzonderlijke vergoedingsregeling voorzien

  • Eenvoudige herziening of opheffing mogelijk van BPA’s: Er wordt voorzien in een eenvoudige procedure tot herziening of opheffing van algemene en bijzondere plannen van aanleg. Deze mogelijkheid is evenwel beperkt tot de opgelijste stedenbouwkundige voorschriften die kunnen worden aangepast. Voor de opheffing of herziening moet een specifieke procedure worden doorlopen met adviesronde, openbaar onderzoek en beslissing van de gemeente die onderworpen is aan een schorsingstoezicht.


d) Aangaande handhaving

  • Misdrijfkwalificatie : Sedert 30 december 2017 voorziet artikel 6.1.1 VCRO in een bijkomende misdrijfkwalificatie onder punt 8°. Vermelde bepaling voorziet in een bestraffing voor handelingen die worden uitgevoerd, voortgezet of in standgehouden in – het nieuw gecreëerde - watergevoelig open ruimte gebied zoals aangeduid in artikel 5.6.8 VCRO. 

  • Stakingsbevel en administratieve geldboete : Volgens de tekst van de VCRO zoals deze voor de recente wijziging bestond, kon enkel een administratieve geldboete worden opgelegd indien er sprake was van een doorbreking van een reeds bekrachtigd stakingsbevel. Dit werd ook in die zin bepaald onder meer door de cassatiearresten van 29 mei 2015  en 31 maart 2017. Om bovenstaande reden werd voorzien in de aanpassing van artikel 6.1.49 VCRO zodat ook een geldboete kan worden opgelegd in geval van een doorbreking en dit vanaf het gegeven bevel tot staking.  Enkel indien het bevel uiteindelijk niet wordt bekrachtigd of wordt ingetrokken, kan er geen geldboete worden opgelegd.

  • Overgangsbepalingen bestuursdwang en last onder dwangsom : Verder wordt in de overgangsbepalingen nog uiteengezet dat de nieuwe bepaling in het Handhavingsdecreet over bestuursdwang en last onder dwangsom enkel van toepassing zijn indien het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaat voor de inwerkingtreding van het Handhavingsdecreet.

  • Overgangsbepalingen stakingsbevel : Verder bepaalt het nieuwe art. 7.7.8 VCRO dat de rechtsgevolgen van de stakingsbevelen dewelke werden opgelegd met miskenning van de termijnen voorzien in de omzendbrieven RO/2014/3 en RO/2015/01 van rechtswege vervallen vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe Handhavingsdecreet.

  • Overgangsbepaling handhavers : Deze overgangsbepaling is in het leven geroepen zodat de reeds aangewezen lokale en intergemeentelijke handhavers zoals voorzien in artikel 6.1.5 van de VCRO hun bevoegdheid behouden bij de invoegetreding van het Handhavingsdecreet.  De daadwerkelijke aanstelling van de nieuwe verbalisanten ruimtelijk ordening zoals voorzien in het Handhavingsdecreet kan pas gebeuren vanaf de inwerkingtreding van vermeld decreet. Door te voorzien in een overgangsbepaling zoals hierboven uiteengezet kan worden voorzien in een overgangsperiode teneinde gebeurlijke hiaten op te vangen.

  • Overgangsbepaling Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering : In het nieuwe artikel 7.7.11 van de VCRO wordt uitdrukkelijk bepaald dat de bestaande leden van de Hoge Raad voor Handhavingsbeleid van rechtswege bekleed worden met een mandaat in de nieuwe Hoge Raad voor Handhavingsuitvoering, behoudens indien zij hiervan uitdrukkelijk afzien.


e) Aangaande Onteigeningen

  • Nieuw Vlaams Onteigeningsdecreet: Het onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 zorgt voor een eenvormige onteigeningsprocedure voor alle onteigeningen binnen het Vlaams Gewest voor Vlaamse bevoegdheden. Voor onteigeningen gevoerd door de federale overheid zelf of door de federale overheid gemachtigde instellingen die op federale bevoegdheden betrekking hebben blijven de gewone onteigeningswet en de onteigeningswet hoogdringende omstandigheden dus wel nog van toepassing. Het decreet past ook op consequente wijze het subsidiariteitsprincipe toe. De lokale besturen kunnen voortaan autonoom beslissen of ze een onteigening uitvoeren. Nieuw is ook de mogelijkheid tot het onder bepaalde voorwaarden indienen van een verzoek tot zelfrealisatie door de te onteigenen eigenaar. Ook wordt een digitale behandeling van onteigeningsdossiers mogelijk gemaakt. Met het uitvoeringsbesluit van 27 oktober 2017 werden ook reeds een aantal praktische modaliteiten verder uitgewerkt.


f) Belangrijke toekomstige aandachtspunten

  • Het Handhavingsdecreet – schrapping voortzettingsmisdrijf : In het voorjaar 2018 zal in principe het decreet houdende handhaving van de Omgevingsvergunning dd. 25 april 2014 in voege treden.  De finaliteit van de handhaving zal door het Handhavingsdecreet volledig wijzigen.  Enkele van deze wijzigingen zijn de volgende : 

    • Naast het gerechtelijk hertsteltraject komt er een bestuurlijk hersteltraject;
    • Er wordt niet enkel voorzien in stedenbouwkundige misdrijven doch eveneens in stedenbouwkundige inbreuken;
    • De gewestelijke entiteit zal over de mogelijkheid beschikken om bestuurlijke geldboetes op te leggen;
    • De mogelijkheid tot kwijtschelding van dwangsommen wordt verlegd van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid naar de burgemeester, gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur dan wel de Vlaamse Minister of diens gemachtigde;
    • ...

Ook de Codextrein bracht reeds enkele wijzigingen aan vermelde decreettekst waarvan de voornaamste wijziging de schrapping van het voortzettingsmisdrijf betreft.

De term ‘voortzetten’ wordt in de artikelen 6.2.1 en 6.2.2 van de toekomstige versie van de VCRO vervangen door de term ‘verder uitvoeren’. De onduidelijkheid omtrent het voortzettingsmisdrijf vindt zijn grondslag in het cassatiearrest van 14 oktober 2014, P.13.0209.N.  In vermeld arrest wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen enerzijds het voortzetten, hetwelk een actieve handeling noodzaakt, en het in stand houden, hetwelk een louter passieve gedraging betreft. Teneinde dit in de regelgeving duidelijker te stellen wordt daarom ‘voortzetten’ vervangen door ‘verder uitvoeren’

Het valt af te wachten op welke wijze de rechtspraak hierop zal reageren aangezien het voorgezet misdrijf zoals omschreven in art. 65 van het Strafwetboek blijft bestaan.

  • Het Instrumentendecreet: De Vlaamse regering werkt aan nieuwe instrumenten omtrent planologische ruil en verhandelbare bouwrechten. De Vlaamse regering zou het decreet een eerste maal hebben goedgekeurd einde 2017. Het decreet zal ongetwijfeld een belangrijk aandachtspunt worden in 2018.

  • De Waterkaart: De Vlaamse regering zal een Waterkaart opmaken met de aanduiding van alle zones waar de realisatie van een (harde) bestemming zou conflicteren met de waterhuishouding (zie boven). Deze Waterkaart heeft ingrijpende gevolgen in de bebouwingsmogelijkheden. Het zal dus van belang zijn om in 2018 bijzonder aandachtig te zijn voor het openbaar onderzoek. De aanspraak voor een schadevergoeding tgv van de Waterkaart wordt beperkt in de tijd (twee jaar na de dag van publicatie van het besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de Waterkaart).

  • De Boskaart: De Vlaamse regering werkt eveneens aan de wederinvoering van de Boskaart (Meest Waardevolle Kwetsbare Bossen kaart). Deze kaart vormt een aanduiding van alle zones waar de realisaties van een (harde) bestemming zou conflicteren met de meest waardevolle bossen en heeft mogelijks ook ernstige eigendomsbeperkingen tot gevolg. Afwachten of er in 2018 een nieuwe boskaart wordt ingevoerd.


GSJ Real Estate